COLUMN HERMAN DE VRIES: Horeca, rookruimten en Europa

Na jaren van discussie of er in de horeca nu wel of niet gerookt mocht worden en onder welke voorwaarden dat dan wel zou mogen wordt er een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan deze discussie.

Onder andere de Volkskrant kopte er al over: “Rookruimtes in de horeca moeten er definitief aan geloven: het einde is in zicht”. Er zijn weer ontwikkelingen op het gebied van jurisprudentie van rookruimten. Advocaat-generaal Vlas heeft een advies gegeven aan de Hoge Raad om rookruimtes in horecagelegenheden te verbieden. Met dit advies sluit hij aan bij een uitspraak die het gerechtshof Den Haag op 13 februari 2018 heeft gedaan in een procedure die was aangespannen door de vereniging CAN (Club van Actieve Nietrokers).

Centraal staat de vraag of de Staat onrechtmatig  handelt door onder bepaalde voorwaarden toe te staan dat in openbare gebouwen rookruimtes aanwezig zijn waarin het rookverbod niet geldt. Volgens CAN levert dit strijd op met art. 8 van de WHO Framework Convention on Tobacco Control, Trb. 2004, 269.

In de uitspraak wordt overwogen: “Op grond van art. 31 lid 1 van het Verdrag van Wenen moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van dat verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. Zoals hiervoor is overwogen verplicht art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag tot een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in, onder meer, openbare gebouwen (‘indoor public places’). Niet in geschil is dat horeca-inrichtingen ‘indoor public places’ in de zin van deze bepaling zijn. Rookruimtes in horeca-inrichtingen zijn, evenals de horeca-inrichtingen waarvan zij een onderdeel zijn, voor het publiek toegankelijk en vallen dus evenzeer onder het begrip ‘indoor public places’. Het enkele feit dat in rookruimtes tijdens het gebruik geen werkzaamheden mogen worden verricht en daar geen consumpties mogen worden geserveerd (maar wel worden meegenomen), maakt niet dat deze niet meer onder het begrip ‘indoor public places’ vallen. Volgens de gewone betekenis van de termen van het WHO-Kaderverdrag zijn rookruimtes dus ook ruimtes waarbinnen de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven bescherming moet worden geboden. Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag maakt ook geen expliciete uitzondering voor rookruimtes.”

In gewone mensentaal staat hier dat rookruimten gerekend worden tot publieke binnenplaatsen waar de bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook zou moeten gelden zoals bedoeld in het verdrag.

Een en ander is voorgelegd aan de Hoge Raad. De verwachting is dat deze uitspraak doet op 27 september 2019. De verwachting is ook dat de Hoge Raad het advies van de Advocaat Generaal Vlas zal opvolgen.

In artikel 6.2 van het Tabaks- en rookwarenbesluit is geregeld dat de in artikel 10, eerste lid van de Tabaks en Rookwarenwet opgenomen verplichting tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod niet geldt voor afsluitbare, voor het roken van tabaksproducten aangewezen en als zodanig aangeduide ruimten.

Indien het verdrag een rechtstreekse werking heeft zal dit vergaande gevolgen hebben voor horecabedrijven met een rookruimte omdat deze rookruimte dan verboden zou zijn. Nationale regelgeving zou dan strijdig zijn met een verdrag met rechtstreekse werking.

Grote vraag is of bedrijven die een rookruimte hebben gemaakt omdat zij (terecht) in de veronderstelling waren dat dit op grond van nationaal recht mocht een schadeclaim kunnen indienen bij de staat. Ik roep de overheid op tot het compenseren van de schade die ondernemers leiden door het volgen van nationale wetgeving.

 

Herman de Vries, jurist Adviesbureau Naruse. info@adviesbureaunaruse.nl of 06-21232162.